Het
Profielwerkstuk
HANDLEIDING II
Hoe maak ik een profielwerkstuk?
Onderwerpkeuze, probleemstelling, literatuuropgave..
Een handleiding voor Havo- en Vwo-leerlingen
Woord vooraf
Voor je ligt de leerlingenhandleiding voor het profielwerkstuk. Deze handleiding is er op gericht je te ondersteunen bij het maken van het profielwerkstuk.
Het maken van een profielwerkstuk is een proces, dat in een aantal stappen verloopt. Het is dus raadzaam dat je deze handleiding regelmatig raadpleegt en de hoofdstukken die behoren bij bepaalde stappen in het proces goed doorneemt op het moment van het zetten van de volgende stap.
Hoofdstuk 1 gaat over de onderwerpkeuze, thema's die in het tweede hoofdstuk verder worden uitgewerkt door middel van het bepalen van de probleemstelling. De meest efficiënte manieren om literatuur en materiaal voor je onderwerp te zoeken staan beschreven in hoofdstuk 3. Hoofdstuk 4 gaat over de opzet van je profielwerkstuk. In het volgende hoofdstuk komt een specifiek onderdeel van het profielwerkstuk aan de orde, namelijk het samenstellen van de literatuuropgave. In hoofdstuk 6 wordt uitgelegd hoe de vormgeving en lay-out er uit dienen te zien en worden de puntjes op de 'i' gezet.
Gesteund door deze handleiding kun je aan de slag.
Inhoudsopgave
Woord vooraf blz. 1
Inhoudsopgave blz. 2
Hoofdstuk 1 De keuze van het onderwerp blz. 3
Hoofdstuk 2 De probleemstelling blz. 5
Het plan van aanpak
Hoofdstuk 3 Zoeken naar en vinden van het materiaal blz. 8
Hoofdstuk 4 De opzet van het profielwerkstuk blz. 10
Hoofdstuk 5 Het samenstellen van de literatuuropgave blz. 13
Hoofdstuk 6 De definitieve versie blz. 15
Hoofdstuk 1 De keuze van het onderwerp
Om tot een onderwerp te komen kun je de volgende methode gebruiken:
Schrijf zoveel mogelijk geschikte onderwerpen op.
Het noteren van een willekeurig onderwerp roept weer andere onderwerpen op, dit heet brainstormen. Ga niet van iedere mogelijkheid de voor- en nadelen bedenken, dat komt later.
Zoek in kranten, tijdschriften enz.
Brainstormen lukt vaak beter als je in kranten, boeken en dergelijke gaat bladeren. De zaterdag bijlagen van de kranten zijn prima bronnen.
Streep weg wat je niet interesseert
Een onderwerp wat je niet interesseert levert nooit een goed profielwerkstuk op. Je zult vermoedelijk niet genoeg interesse opbrengen om er diep in te duiken.
Bekijk het onderwerp goed
Je hebt het meeste plezier aan het maken van een profielwerkstuk als je onderwerp verschillende invalshoeken heeft. Probeer ook door de ogen van je docent te kijken en bedenk of die bezwaren zou kunnen hebben.
Pas op voor een te breed onderwerp
Een breed onderwerp heeft zoveel kanten die belicht moeten worden dat je nooit diep in een onderdeel ervan kunt duiken.
Pas op bij een te beperkt onderwerp
Let er goed op dat er voldoende informatie over het onderwerp aanwezig is.
Houd je logboek bij
Bij het maken van je profielwerkstuk moet je straks kunnen vertellen waarom je juist dit onderwerp gekozen hebt.
De meting moet op school verricht worden
Het benodigde materiaal om de meting te verrichten moet op school aanwezig zijn of voor weinig geld aangeschaft kunnen worden.
Veiligheid
De proef mag geen veiligheidsrisico's voor jou en je omgeving opleveren.
Uitvoering op school
De proef vindt in principe op school plaats, onder toezicht van een TOA. Maak duidelijke afspraken met de TOA over tijd en benodigdheden.
Maak de keuze niet te snel. Je kunt immers een viertal maanden met dit onderwerp bezig zijn. Een zorgvuldige keuze is dus op z'n plaats!
Hoofdstuk 2 De probleemstelling en het plan van aanpak
1. De probleemstelling
Ieder heeft een probleemstelling. Het is eigenlijk de kern, waarom het profielwerkstuk draait. Een probleemstelling is de leidraad van het onderzoek.
Welke functie kan een probleemstelling hebben?
Aan het begin van je onderzoek moet je materiaal zoeken, dat bij je probleemstelling past.
Bij het lezen van het materiaal, moet je je probleemstelling in je achterhoofd houden om niet af te dwalen.
Tijdens het schrijven moet je je probleemstelling er bij houden om de rode draad vast te houden.
En aan het eind van je onderzoek moet je conclusies kunnen trekken ten aanzien van je probleemstelling.
Als je probleemstelling dus niet goed is, zal het werkstuk automatisch ook niet goed zijn. Een goede probleemstelling blijkt dus een noodzakelijke voorwaarde te zijn voor het welslagen van je profielwerkstuk.
In de probleemstelling kunnen de volgende elementen zitten:
Wie, wat, waar, wanneer en hoe, waarom en waartoe?
Er zijn verschillende soorten probleemstellingen:
Beschrijvende of beeldvormende . Hierbij probeer je op basis van je onderzoek een situatie te beschrijven of een beeld van een persoon te vormen.
Vergelijkende . Hierbij probeer je overeenkomsten of verschillen boven tafel te krijgen.
Verklarende. Hierbij ga je op zoek naar een antwoord op de vraag "Hoe komt het dat .."
Waardebepalende en evaluatieve . Hierbij probeer je een oordeel te geven over de waarde van iets.
Voorspellende . Bij deze wil je uitzoeken hoe het in de toekomst zal zijn.
Probleemoplossende of regelgevende . Je probeert hierbij op basis van je onderzoek een probleem op te lossen of althans een bijdrage hieraan te leveren.
2. De deelvragen
Naast de probleemstelling kunnen goede deelvragen je een eind op weg helpen. Zij sturen in feite je onderzoek. Met de deelvragen knip je je onderzoek in stukjes. Eigenlijk moet je jezelf dus afvragen: wat moet ik allemaal weten voordat ik met de probleemstelling kan stoeien?
De deelvragen helpen de hoofdvraag te beantwoorden, dus alle deelvragen moeten een stukje hoofdvraag in zich dragen.
Oriënterende vragen stellen
Je kunt bijvoorbeeld beginnen met het stellen van vragen.
Hieronder volgt een aantal vragen die je kunt stellen bij het onderzoek:
Wat is het? Welke kenmerken heeft het?
Waarop lijkt het? Waaraan is het tegengesteld?
Wie of wat doet het? Wie of wat is erbij betrokken?
Wie of wat ondergaat het?
Waaruit bestaat het? Welke soorten of onderdelen zijn er te onderscheiden?
Waartoe behoort het? Waar is het een onderdeel van?
Waar komt het voor?
Wanneer komt het voor? Wanneer is het begonnen of geëindigd?
Waar komt het vandaan? Waar gaat het naar toe? Hoe ontstaat het of hoe is het ontstaan? Hoe ontwikkelt het zich?
Hoe gebeurt het? Welke methode wordt ervoor gebruikt?
Welke voorwaarden of omstandigheden maken het mogelijk?
Welk doel dient het? Welke taak heeft het?
Welke argumenten of motieven zijn ervoor of ertegen aan te voeren?
Wat zijn de oorzaken van of de redenen voor?
Welke gevolgen heeft het?
Welke waarde heeft het? Wat zijn de voordelen? Wat zijn de nadelen?
Welke maatregelen vereist het?
De trefwoorden methode
Je kunt ook beginnen met het noemen van trefwoorden.
Schrijf zoveel mogelijk woorden op die te maken hebben met je onderwerp.
Zet de woorden die bij elkaar horen in een groep.
Geef een toepasselijke naam aan elke groep van woorden: waar hebben alle woorden in de groep mee te maken.
Als je de woorden in een groep bekijkt, lukt het vaak sneller om tot het formuleren van een probleemstelling en deelvragen te komen.
Plan van Aanpak
Wanneer je je onderwerp gekozen hebt en een voorlopige probleemstelling en de daarbij behorende deelvragen hebt geformuleerd, kun je met het onderzoek zelf aan de slag.
Je dient eerst je Plan van Aanpak op te stellen. Dit bestaat uit twee zaken: een onderzoeksplan en tijdplan. Hierbij moeten de volgende zaken staan:
Onderzoeksplan
onderwerp
probleemstelling
deelvragen
welke antwoorden verwacht je bij deze vragen
lijst van taken
waar je materiaal gaat zoeken
welk materiaal je wilt gebruiken
Tijdplan
Hoeveel tijd denk je aan de verschillende activiteiten te besteden. Denk hierbij aan het bezoek van instellingen, bibliotheken, lezen van literatuur, uitvoeren e.d.
Hoofdstuk 3 Zoeken naar en vinden van je materiaal
Tip: Noteer altijd de volledige gegevens (zie Hoofdstuk 6) van de informatiebron die je gebruikt en de gebruikte pagina's. Hiermee voorkom je veel onnodig zoekwerk achteraf, wanneer je nog eens wilt natrekken of je definitieve literatuurlijst samenstelt. Gebruik je INTERNET? Schrijf dan de adressen van de SITES op, waaruit je informatie hebt geplukt.
1. Oriëntatie
Natuurlijk begin je met een nadere verkenning van je onderwerp. De definitieve probleemstelling komt in een latere fase aan bod. Toch is het handig om bij je verkenning gebruik te maken van minstens enkele vragen; Wat wil je van het gekozen onderwerp te weten komen, waar ben je naar op zoek?
2. Van algemeen naar bijzonder
Begin je zoektocht bij makkelijk toegankelijke bronnen. Encyclopedie en schoolboeken zijn voor de hand liggend. Maak daarbij wat korte aantekeningen, niet te ingewikkeld. Verzamel rond je onderwerp zoveel mogelijk TREFWOORDEN. Daarmee beschik je over nuttige sleutels die vele deuren voor je zullen openen bij je verdere zoektocht.
3. Inperking
Naarmate je meer te weten komt, probeer je steeds preciezer te worden in wat je eigenlijk wilt weten. Anders gezegd: probeer je onderwerp door bijstelling van je vragen meer en meer af te bakenen.
4. Informatie - vindplaatsen
De meest gebruikelijke vindplaatsen zijn natuurlijk onze mediatheek en de openbare bibliotheek. Daarnaast wordt er tegenwoordig steeds meer gebruik gemaakt van digitale informatie (internet, CD-roms enz.). Verder is het mogelijk om eigen onderzoek te doen en op deze manier informatie te verzamelen. Denk hierbij aan het doen van proeven, het houden van een enquête of het afnemen van een interview.
Als je problemen hebt met het vinden van de juiste informatie schroom dan niet de hulp in te schakelen van het personeel van de bibliotheek.
5. Verwerken van de informatie
In het begin van dit hoofdstuk heb je aanwijzingen gekregen over het direct opschrijven van gevonden informatie.
Schrijf bij al het materiaal (boeken, CD-rom, artikelen e.d.) direct de gegevens op. Doe dat op de manier zoals in de bijlage is beschreven. Handig is om hier kaartjes (fiches) voor te gebruiken. Het is natuurlijk ook mogelijk om een losbandig systeem te gebruiken (ringband, multimap).
Welk systeem je ook gebruikt, zorg voor duidelijke notering van je informatie. Noteer op aparte bladen (of kaartjes) de relevante informatie uit de geraadpleegde bron. Zet duidelijk bovenaan de kaart of het blad het volgende:
Titel bron (volledig) met pagina's en of adres.
De (deel)-vraag (=nummer*) waarmee de gevonden informatie te maken heeft.
Trefwoorden waaronder de gevonden informatie past.
Op die manier hou je steeds overzicht en dankzij het losbladige systeem kun je de gevonden informatie steeds weer anders rangschikken en zul je in het verloop van je onderzoek ontbrekende schakels ontdekken, die vervolgens "tussen gevoegd" kunnen worden.
Het is handig om van je hoofdvraag en deelvragen een overzichtelijke lijst te maken en de deelvragen die bij elkaar passen te rubriceren. Gebruik daarbij duidelijke codes. Bij het noteren van informatie is het dan voldoende om die codering (nummers o.i.d.) te noemen met eventueel gebruikte trefwoorden.
Hoofdstuk 4 De opzet van je profielwerkstuk
De schrijffase van je profielwerkstuk brengt de definitieve versie dichterbij. Het uiteindelijke werkstuk moet de volgende verplichte onderdelen bevatten:
Titelblad
voorwoord (mogelijk)
inhoudsopgave
inleiding
hoofdstukken
conclusie
noten
literatuuropgave
bijlage (mogelijk)
begrippenlijst (mogelijk)
Elk van deze onderdelen begint op een nieuwe bladzijde, dat geldt ook voor ieder nieuw hoofdstuk en iedere bijlage. Paragrafen waarin een hoofdstuk onderverdeeld kan zijn, hoeven niet op een nieuwe bladzijde te beginnen.
1. Titelblad
Dit is de bladzijde die direct na de omslag volgt. Hierop moet vermeld worden:
de titel van het profielwerkstuk en eventueel een ondertitel
je eigen naam
je klas
het vak (de vakken)
de inleverdatum
naam van de begeleider(s)
De titel en de eventuele ondertitel dienen de inhoud van het profielwerkstuk goed te dekken.
2. Voorwoord (mogelijk)
Het voorwoord moet worden onderscheiden van de inleiding en vormt geen verplicht onderdeel van het profielwerkstuk, een inleiding is wel verplicht. In het voorwoord komen die dingen aan de orde die niet direct in verband staan met het onderwerp maar die wel belangrijk kunnen zijn, zoals bedankjes of de geschiedenis van het onderzoek. Het voorwoord bevat dingen die niet in de inleiding thuishoren.
3. Inhoudsopgave
In de inhoudsopgave staan de titels vermeld van de verschillende hoofdstukken, paragrafen en andere onderdelen van het profielwerkstuk. De titels van de hoofdstukken moeten worden voorzien van een nummering en de pagina's waarop ze beginnen. De paragrafen moeten ook voorzien worden van een nummering.
4. Inleiding
De inleiding gaat over het onderwerp van het profielwerkstuk. In de inleiding moet het onderwerp van het profielwerkstuk, de probleemstelling, worden ingeleid.
In de inleiding wordt achtereenvolgens beschreven:
de motivatie van de keuze van het onderwerp
de probleemstelling en de deelvragen
de wijze van onderzoek
De verantwoording van de hoofdstukindeling zoals deze logisch voortvloeit uit de probleemstelling: de indeling moet daadwerkelijk toegelicht worden en niet blijven steken in het navertellen van de inhoudsopgave.
5. Hoofdstukken
Het belangrijkste onderdeel van het profielwerkstuk. De hoofdstukken samen moeten een uitgebreid en genuanceerd antwoord geven op de probleemstelling. Er zijn niet veel (algemene) regels voor het opzetten van dit onderdeel.
Een aantal belangrijke aanwijzingen zijn:
de opbouw van de hoofdstukonderdelen moet logisch zijn
er moet samenhang bestaan binnen de hoofdstukken en paragrafen
de hoofdstukken e.d. moeten goed doorlopende 'verhalen' vormen.
6. Conclusie
De conclusie herhaalt de probleemstelling uit de inleiding en vat de voorgaande hoofdstukken samen. Dit overzicht kan, doordat de inhoud van alle hoofdstukken bij elkaar genomen wordt, nog nieuwe gezichtspunten opleveren. Het overzicht moet de argumenten weergeven die worden aangevoerd om de probleemstelling en/of de deelvragen 'te bewijzen'.
7. Noten
Bij het maken van een profielwerkstuk ontleen je informatie aan diverse informatiebronnen. De verantwoording (waar komt de informatie vandaan?) vindt plaats door middel van NOTEN.
Je moet kijken naar de plaats en de inhoud van de noten.
Wanneer je moet beslissen waar je noten plaatst in je werkstuk, kun je kiezen tussen voet- en eindnoten. Bij de inhoud wordt verschil gemaakt tussen explicatieve en verwijzende noten**.
Voetnoten staan onder aan de bladzijde, eindnoten staan aan het einde van een hoofdstuk.
**
Explicatieve noten zijn noten waarin iets wordt uitgelegd of toegelicht.
Verwijzende noten verwijzen naar de gebruikte bronnen of literatuur.
8. Literatuuropgave
Voor het opstellen van de literatuuropgave (bibliografie) gelden vier regels. Deze regels en een voorbeeld komen in het volgende hoofdstuk aan de orde.
9. Bijlage(n) (mogelijk)
Voor bepaalde profielwerkstukken zijn bijlagen onmisbaar. De bijlagen bevatten zaken (tabellen, grafieken, stukken tekst ui bronnen, enquêteformulieren, kranteknipsels e.d.) die de tekst van het eigenlijke profielwerkstuk onleesbaar(der) maken als ze in de hoofdstukken worden opgenomen.
Als bovengenoemde zaken een onmisbaar onderdeel uitmaken van de gedachtengang, dan moet deze wel worden opgenomen in de hoofdtekst. De bijlagen moeten voorzien zijn van een bronvermelding en een verklarende tekst!
10. Begrippenlijst (mogelijk)
De begrippenlijst wordt alfabetisch opgesteld en bevat een omschrijving van wat het begrip inhoud.
Hoofdstuk 5 Het samenstellen van de literatuurlijst (bibliografie)
Ieder profielwerkstuk moet een lijst bevatten waarop alle geraadpleegde en gebruikte literatuur (bronnen) vermeld staan. Ook al heb je in noten verwezen naar de gebruikte artikelen en boeken, de literatuurlijst mag nooit ontbreken.
Voor het opstellen van de literatuurlijst gelden vier regels:
1. De bronnen worden beschreven volgens de 'regels der titelbeschrijving':
Naam van de auteur(s), Titel; eventuele ondertitel , xde druk. Uitgever. Plaats, jaar van uitgave. X bladzijden.
Voorbeeld: Geel, Rudolf, Hoe zet ik mijn gedachten op papier?, 1 e druk. Bert Bakker. Amsterdam, 1989. 115 blz.
2. De onderdelen van de titelbeschrijving worden dus in een vaste volgorde bij elkaar gezet.
Er wordt nog verschil gemaakt tussen boeken en artikelen!!
De titelbeschrijving van een boek
Bij de titelbeschrijving zoals hierboven onder punt 1 vermeld zijn twee onderdelen officieel niet nodig: de vermelding van de uitgever en het aantal bladzijden.
Bij meer dan drie auteurs worden de volgende aangeduid met de afkorting 'e.a.'(en anderen). Je noemt alleen de naam van de eerste schrijver.
Voorletter(s) en voorvoegsel(s) worden achter de achternaam gezet.
Noteer alle voorletters als je die kent. Er zijn namelijk vele mensen die P. Jansen heten.
Titels zoals Drs., Mr., Prof. Jonkheer enz., moet je weglaten.
De titel en de eventuele ondertitel worden onderstreept. De ondertitel wordt van de titel gescheiden door een puntkomma en begint nooit met een hoofdletter.
Wanneer je plaats en/of jaar van de uitgave niet weet, schrijf je; z.p.(zonder plaats) en/of z.j.(zonder jaar).
Bij 'jaar van uitgave' vermeld je de uitgave van het boek dat je gebruikt hebt. Een boek kan voor het eerst verschenen zijn in 1930 en daarna een aantal malen opnieuw zijn uitgegeven. Als je de herdruk uit 1985 hebt gebruikt, noteer je 1985!
De titelbeschrijving van een artikel
Voor de titelbeschrijving van een artikel ga je als volgt te werk:
Naam van de auteur(s), titel van het artikel; eventuele ondertitel. In (uit) Titel van het tijdschrift datum, blz. (of als dat niet te achterhalen is: aantal blz.)
Voorbeeld: Liesbeth Koenen. 'De kleine wonderen van het menselijk taalvermogen'. In: Vrij Nederland 28 augustus 1993. Blz. 28-33.
Voorbeeld: Door onze financiële redactie. 'Winst ABN-AMRO stijgt 16%: resultaat beter dan verwacht'. In: NRC Handelsblad 27 augustus 1993, blz. 11.
Als de naam van de auteur is weggelaten, schrijf je auteur onbekend.
Bij gebruik van een redactioneel artikel moet je de formulering 'door onze financiële redactie' weglaten zodra er bij het artikel een naam staat.
De ondertitel staat bij een artikel vaak boven de titel. Bij het opnemen van het artikel in de literatuurlijst moet je de volgorde omdraaien.
Maandbladen zijn niet op dag gedateerd. Je vermeld in dat geval de maand.
Als je een paragraaf of hoofdstuk uit een boek gebruikt, beschrijf je dit op de manier van een artikel.
3 De literatuuropgave bevat alleen titels waarnaar in het profielwerkstuk(voet- en
eindnoten) verwezen wordt. Geen enkele titel mag nieuw zijn!
4 De titelopgave wordt alfabetisch gerangschikt op het hoofdwoord van de titelbeschrijving.
In de meeste gevallen is dit hoofdwoord de achternaam van de (eerstgenoemde) auteur. Bij anonieme werken, bijvoorbeeld een encyclopedie, is dit het eerste woord van de titel. Voorletter(s) en voorvoegsel(s) komen na een komma achter de naam van de auteur, dus:
Dijk, J.M.G. van
Hoofdstuk 6 De definitieve versie
In dit hoofdstuk staan de eisen waaraan de vormgeving of lay-out van je profielwerkstuk moet voldoen.
Voor wie schrijf je?
Ga er van uit dat je het profielwerkstuk schrijft voor je klasgenoten, die weinig van het onderwerp afweten. Je schrijft dan anders dan wanneer je schrijft voor deskundigen of je docent.
Papierformaat en bladspiegel
Schrijf je profielwerkstuk op A4-formaat. Zorg voor ruime kantlijnen(=marges) van ongeveer
3 cm . Links, onder en boven, rechts 2 cm .
Gebruik voldoende regelafstand en deel de bladzijden van je werkstuk steeds hetzelfde in. Pas onderstreping en cursivering toe, maar met mate.
Titels
Breng typografisch verschil aan in de titels van de hoofdstukken en titels van paragrafen. Zet nooit een punt achter titels, hoofdstuk- of paragrafennummers.
Nieuwe bladzijde
Ieder hoofdstuk begint met een nieuwe bladzijde, paragrafen niet! Voorwoord, inleiding, conclusie, literatuurlijst, bijlagen worden opgevat als hoofdstukken.
Alinea's
In je profielwerkstuk gebruik je een alinea-indeling. Alinea's gebruik je door in te springen. Door een regel over te slaan tussen de tekst en een alinea, kun je de alinea goed laten opvallen binnen de tekst.
Nummering
Alle bladzijden van je profielwerkstuk, behalve de titelpagina, wordt (doorlopend) genummerd. Gebruik geen Romeinse cijfers en zet de bladzijdennummers steeds op dezelfde plaats.
Spelling en formulering
De formulering en spelling moet foutloos zijn. Gebruik geen afkortingen in je tekst en laat je definitieve versie door iemand anders nalezen op spelfouten en formulering.